De iconografie

(door Christian Schmitt)

In zekere zin waren afbeeldingen van christelijke motieven en scènes in de Middeleeuwen belangrijker dan de teksten zelf. Ook de leken die niet konden lezen, moesten immers toegang kunnen hebben tot complexe verhalen van de bijbel en andere religieuze boeken. Met behulp van afbeeldingen kon de christelijke leer aan iedereen worden meegedeeld. De schilderijen, beelden en muurschilderingen spraken direct tot de verbeelding van de bekijker. Pas de Reformatie en de Beeldenstorm zouden daar een eind aan maken. In plaats van een bemiddeling door de kunst eisten hun voorstanders een directe toegang van de gelovigen naar het woord (van de bijbel).

Voor de kunstenaars is de Legenda aurea naast de bijbel steeds de belangrijkste bron voor christelijke onderwerpen geweest. In de teksten konden zij een antwoord op alle vragen vinden die de manier van uitbeelden betroffen; bovendien had men een bepaalde traditie waaraan men moest aansluiten. Echt nieuwe mogelijkheden om een thema te presenteren, werden daartegenover maar zelden geïntroduceerd en dan vooral door één of andere afwijking in de details. De traditie en de autoriteiten werden echter niet in twijfel getrokken. Vernieuwingen onstaan in de middeleeuwse kunst (en literatuur) vooral doordat men op kleine schaal van de voorgangers of de voorgeschreven patronen afwijkt. Men houdt zich daar vooraf echter intensief mee bezig.

Sinterklaas in afbeeldingen

Nicolaas is altijd één van de populairste middeleeuwse heiligen geweest. Dat had ook voor de kunst gevolgen. Er zijn talrijke afbeeldingen van deze heilige te vinden - in veelvoudige vormen zoals reliëfs en fresco's, schilderijen, altaarstukken, miniaturen en ook beelden. De verering van St. Niclaas bereikte een hoogtepunt in de late middeleeuwen, maar was in het begin bijzonder regionaal beperkt tot Myra en Constantinopel (6e eeuw). De verering bereikte daarna ook Rome (9e eeuw) en vanaf de 11e eeuw Frankrijk en Engeland. In Duitsland - en de "Lage Landen" - werd de heilige voor het eerst in de streken langs de Rijn vereerd (10e eeuw) en werd de cultus later door de hanseatische handelsbetrekkingen - Nicolaas was ook de heilige van de kooplieden - langs de nieuwe wegen naar het noorden en oosten verspreid.
In de Orthodoxe Kerk was St. Nicolaas na Maria de meest vereerde heilige, vooral in Rusland komt men hem als patroon van boeren, kinderen, reizigers en kooplieden tegen. Hij is dan ook patroon van Rusland zelf. Over het algemeen moet men dus met een oosterse en een aparte westerse iconografische traditie rekening houden.

De oosterse tradities

Volgens het "schilderboek van de berg Athos", dat de iconografische traditie van de Orthodoxe Kerk in dit geval bepaalde, moest de heilige Nicolaas als "bejaarde met bloot hoofd en ronde baard" worden uitgebeeld. Omdat de iconenschilderij tot heden op vaste regels berust die niet zomaar door de individuele kunstenaar veranderd mogen worden, heeft deze regel door de eeuwen heen het uiterlijk van de heilige in de Oost-Europese sacrale kunst bepaald (voorbeeld). Zijn gezicht wordt bovendien volgens een ascetisch ideaal weergegeven: met hoog voorhoofd en brede slapen. In de Byzantijnse kunst vindt men al talrijke afbeeldingen van Nicolaas; nog meer iconen heeft weliswaar de Russische schilderkunst voortgebracht. Men volgde de voorbeelden van twee wonderdadige iconen in Moskau en Novgorod en schilderde Nicolaas of in decoratieve, geometrische kleren of met een meer uitgesproken lichaamelijkheid. Meestal houdt Nicolaas een evangelieboek in de linker hand en maakt met de rechter hand een zegenend gebaar. Hij draagt de kleren van een bisschop: sticharion, epitrachelion, phelonion en omophorion. Vanaf de 13e eeuw worden er kleine figuurtjes van Jezus en Maria bij gevoegd die resp. een codex of een omophorion omhoog houden.

De westerse traditie: geschiedenis en attributen

Tot in de 14 eeuw heeft Nicolaas nog geen duidelijke attributen zoals men die uit de westerse iconografie kent. Hij verschijnt - door de Byzantijnse invloed - alleen als bisschop in ornaat, meestal met een boek; later ook met staf, mitra en phelonion. Geleidelijk ontwikkelt men ten noorden van de Alpen vanaf de 13e eeuw een eigen traditie en maakt men zich los van het Byzantijnse voorbeeld. De attributen van St. Nicolaas ontleent men aan de legenden. Voornamelijk gebruikt men de drie ‚goudklompen' (soms ook gouden bollen, appels of geldzakjes) uit de maagdenlegende (voorbeeld). Ten tweede is de uitbeelding met drie jongelingen die uit een vat klimmen gebruikelijk (voorbeeld). Nicolaas had ze in de legende daaruit bevrijd - ze waren door een kwade herbergier vermoord en in het vat ingezouten. De Legenda Aurea van Jacobus de Voragine bevat dit verhaal, de zogenaamde scholierenlegende, die waarschijnlijk pas in de 12e eeuw in Frankrijk is ontstaan, echter niet. Soms zijn het gewone kinderen die in de taferelen opduiken. Een derde, zeldzamere traditie beeldt Nicolaas in begeleiding van drie maagden uit. Ten slotte horen attributen van de schipvaart zoals anker en schip bij Nicolaas. Men ontleent ze aan de legende van de redding van de zeelui zoals die ook in de Middelnederlandse tekst wordt beschreven.

Bijzonder opvallend is dat alle afbeeldingen van de heilige Nicolaas betrekking hebben tot zijn functie als helper in de nood. De taferelen verwijzen of naar de reddende, of de beschermende of de helpende heilige. Voor bijna alle aparte scènes uit de heiligenlegende kan men voorbeelden in de beeldende kunst terugvinden. De belangrijkste zelfstandig uitgebeelde scènes zijn echter de al genoemde maagden- en scholierenverhalen met de daarbij behorende attributen goudklompen / scholieren in vat. Ook de iconografische cycli, reeksen van scènes uit het leven van de heilige, oriënteren zich voornamelijk aan de versies van de Legenda Aurea. Voor het uitbeelden van zulke cycli moet men natuurlijk vooral aan altaren, kerkramen of muurschilderingen denken. Fraaie voorbeelden voor dergelijke reeksen zijn Italiaanse altaarstukken uit de 15e eeuw (Quaratesi-altaarstuk en Perugia-altaarstuk) . Ook de Vlaamse schilderkunst van die tijd heeft zich met Nicolaas bezig gehouden (Gerard David).

Profane afbeeldingen

De sacrale heiligenafbeelding begint zich al in de 16e eeuw te vermengen met een profane versie die bijvoorbeeld "Zwarte Piet", de dienaar van Nicolaas, of verschillende cadeaumotieven aan de traditie toevoegt. In verband met Zwarte Piet ontstaat ook het motief van de dreigende Nicolaas dat eerder niet bekend was. Een dergelijke inversie van de scholierenlegende kan men in de Duitse "Struwwelpeter" uit de negentiende eeuw terugvinden. Hier dompelt Nicolaas de "boze" kinderen in een (inkt-)vat onder in plaats van ze te bevrijden. Daarnaast ontwikkelt zich de hele traditie naar een algemene commercialisering toe. Nadat Nicolaas geleidelijk met de kerstman verenigd is, wordt uit de heilige bisschop een schattige "Santa" van onze tijd (Zie feesttraditie).