Het handschrift

(door Christian Schmitt)

De legende van Sunte Sebastiaen is afkomstig uit het handschrift Leiden, UB, Ltk 281. Bij Werner Williams-Krapp (1986) heeft het de signatuur Ld 8. Het handschrift omvat 277 folio's en is op papier en perkament geschreven. Het bevat op de eerste pagina's een kalender (f. 1r-2v), waarop het zogenaamde ‚winterstuk' van de Zuidnederlandse Legenda aurea volgt (f. 4r-268v). Daarnaast zijn er in de codex nog vier papiertjes ingeplakt met commemoraties van gestorvenen uit de late 16e en de vroege 17e eeuw.

Pas in 1853 is het handschrift in het bezit van de Leidse Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde gekomen - en bevindt zich nu in de universiteitsbibliotheek van de Leidse universiteit. Door een aantekening op de eerste pagina komen we echter meer te weten over vroegere bezitters van het boek: "Dit boeck hoert den susteren toe binnen Arnhem tot sunte Agnieten" (f. 1r). Over de gemeenschap van deze zusters is het een en ander bekend. Zij werd rond 1420 georganiseerd door Gese Tyte, een zuster van het Gemene Leven uit Deventer, van wie een korte levensbeschrijving (1475/85; afgedrukt bij Begheyn) is overgeleverd. Daarin lezen we dat Gese "in ghehorsamheit uutgesant [werd] toe Arnhem ende daer was si ene wile tijts moder int zusterhuis tot sante Agnieten; mer het weren doe noch zusteren als wi zijn. Ende als si daer ene wile geweest hadde ende hadde die rechte doechten daer alsoe veel alst in oer was, helpen planten ende oprichten, soe quam si overmids ghehorsamheit weder te huis".

De zusters van St.-Agnes gingen tussen 1420 en 1459 over tot de Derde Orde van St.-Franciscus. Men noemt de leden van deze orde ook weleens tertiaren/-issen en moet zich daarbij een semi-religieuze gemeenschap van leken voorstellen, zoals die in de Late Middeleeuwen vooral in de steden overal opdoken. In dergelijke gemeenschappen werden voor het eerst religieuze hervormingsideeën uitgewerkt die dan de basis van de devotia moderna gingen vormen. Om het gevaar van ketterij te voorkomen, trachtte de kerk echter voortdurend - en vooral in de 15e eeuw - deze lekenordes in haar structuren te integreren. Bij de Franciscanen lukte dat uiteindelijk, zodat de grenzen tussen de ordes geleidelijk vervaagden. Hoe wereldlijk de zusters van St.-Agnes in die tijd nog leefden, kunnen we dan ook niet met zekerheid zeggen.

In 1459 ging het Agnietenklooster over tot de Reguliere Orde van St.-Augustinus en sloot zich tijdelijk aan bij de Congregatie van Windesheim. Te midden van al die gebeurtenissen is ons handschrift ontstaan, al weten we niet zeker waar en wanneer.

Zoals bij de meeste Middeleeuwse handschriften vindt men bij Ld 8 geen expliciete aanwijzing wat de datering betreft. Men kan daarvoor echter goed van secundaire kenmerken gebruik maken, bijvoorbeeld door nadere bestudering van het schrift. Gebaseerd op de jongere gothica cursiva - een vereenvoudigd, vloeidend cursiefschrift - ontwikkelde zich rond 1400 de gothica bastarda die vlug het belangrijkste schrift van de 15e eeuw en de enorm toenemende boekenproductie zou worden. Kort na 1420 verschijnt in de teksten een bastarda zonder lusjes die men ook gothica hybrida noemt. Zij verenigt de voordelen van de vloeiende cursiva met het hoge stijl-niveau van de oudere textualis. De hybrida was bijzonder gebruikelijk in Nederland en Noordwest-Duitsland; een bijzondere vorm daarvan (‚devotenbastarda') ontwikkelde zich in de centra van de devotia moderna. Ons handschrift vertoont belangrijke kenmerken van dit hybrida-schrift, zoals de verlengde strepen van de letters ‚s' en ‚f' of de eenbogig geschreven ‚a'. Andere elementen zijn eerder uit het formelere textualis-schrift overgenomen, waarvan een hoger calligrafisch het resultaat is. In de Leidse BNM wordt het schrift van ons handschrift als hybrida opgenomen. Het wordt dan ook daar en elders - in verband met andere criteria, bijvoorbeeld de tamelijk jonge werkwoordvorm hebste - rond 1450 gedateerd.

Een ander probleem is de plaats waar het boek is geschreven. Deze hoeft geenszins overeen te stemmen met de eerste bewaarplaats, nl. het klooster in Arnhem. Als we veronderstellen dat de schrijfster iemand was die ‚uit de buurt' kwam, dan kan onderzoek van de taal en de dialectvormen helpen, de plaats van herkomst nader te bepalen. Laten we daarom enkele opvallende vormen uit de Sunt-Sebastiaens-legende bekijken.

Heel duidelijk heeft de 'Zweite Lautverschiebung' geen sporen achtergelaten. Wij hebben dus te maken met een Nederlandse/-duitse tekst. Terwijl het Nederduits echter over een eigen relatiefpronomen sek/sik beschikt, leest men bij Sebastiaen "die der hem op verlaeten hebben". Ook de Nederduitse demonstratiefpronomina disse/desse komen we niet tegen. Een Nederduitse schrijfster lijkt dus onwaarschijnlijk. Om de taal van het Duitse oosten af te scheiden, kunnen we ook de vorm ende opmerken, wat in het Ripuarisch ind(e) of und zou moeten zijn. De taal is dus duidelijk (Middel-)Nederlands. Maar Nederland is groot en verdere specificaties zijn mogelijk.

Heel opvallend zijn de vormen olt- en golt, waar de hedendaagse lezer eigenlijk oud- en goud zou verwachten. In het moderne ABN alsook in de westelijke Nederlandse dialecten van toen en nu is de ‚l' in die woorden - na een oorspronkelijk Westgermaans á / ó - volledig gevocaliseerd. Dat is echter niet gebeurd in de streek Gelderland/Kleef. Een ander argument voor deze streek is het woord sunde i.p.v. sonde. Andere vergelijkbare woorden - zoals hondert - hebben daarentegen wél de (westelijke) ‚o'; men zou dus van een mengeling kunnen spreken. De vorm verhalen (i.p.v. verholen) is eveneens uniek (tegenover bijv. gode). Over het algemeen is de schrijfwijze ‚a' voor een halflange ‚o' slechts uit het Nederrijn-/IJsselgebied bekend en komt niet voor in de rest van Nederland. Ook de vormen deylen en heyte, die nog dichterbij de oorspronkelijke Westgermaanse ‚ai' staan dan de vormen met ‚e(e)', steunen de hypothese, dat het handschrift uit het gebied langs de IJssel afkomstig is, mogelijk zelfs uit Arnhem. Het is dan ook niet verrassend, dat de vorm oen (=hem) duidelijk Oost-Nederlands is; hetzelfde geldt voor het voegwoord hent (=tot).

Lexicale bijzonderheden kunnen soms nog meer over handschriften verraden. Zo komt men in de Sebastiaen-legende herhaaldelijk het woord richter tegen waar de Latijnse tekst prefectus gebruikt. De vorm richter is in fonologisch opzicht al opmerkelijk: We hebben hier tegenover rechter waarschijnlijk met een oost/west tegenstelling te maken. Wat het woord betreft, heeft recent onderzoek (Berteloot 1996) uitgewezen, dat deze vertaling typisch is voor tal van handschriften die als bewerking uit de kringen van de devotio moderna geïdentificeerd werden. Bij deze groep zijn talrijke vreemde woorden door inheemse vervangen. Merkwaardig genoeg wordt in andere onderzochte legenden van Ld 8 prefectus wél door het vreemde woord provoost vertaald. De Sebastiaen-legende ondersteunt dus gezien dit woordonderzoek het al eerder aangeduide vermoeden, dat ons handschrift niet slechts topografisch maar ook inhoudelijk bij de devotio moderna aansluit. De thesis dat alleen het zomerstuk van deze groep aan een dergelijke redactie onderworpen was (Berteloot 1996), moet naar aanleiding van deze feiten opnieuw in ogenschouw genomen worden. Misschien is de compilatie ook gewoon door verschillende schrijvers vervaardigd of veranderde de schrijfster tijdens het schrijfproces haar strategie.

Williams-Krapp heeft nog op een interessant ‚familielid' van ons handschrift gewezen. Dit handschrift (73 D 9, Koninklijke Bibliotheek, ‚s-Gravenhage; Gh 4 bij Williams-Krapp 1986), zou eveneens uit het St.-Agnieten klooster te Arnhem afkomstig zijn. Het bevat alleen een zomerstuk, waardoor het verleidelijk is om de twee handschriften bij elkaar te lokaliseren. Zeker beschikte het klooster over een gehele Legenda aurea. Maar waarom sluiten de delen dan niet op elkaar aan? Uit recent onderzoek (Berteloot 1997) bleek verder, dat de taal van Gh 4 duidelijk Hollands is. Bovendien heeft een codicologische analyse van de fraaie verluchting laten zien, dat het handschrift in Amsterdam resp. Haarlem te situeren is (Hülsmann). Het colofon op f. 259r vermeldt een "broeder peter priester des convents sinte pouwels" als schrijver. De vraag is echter: waar bevindt zich dit convent? Het lijkt me overtuigend om in dit convent - gesteund door taal- en codicologisch onderzoek - het Amsterdamse St. Paulusklooster te zien. Het handschrift werd blijkbaar voor een klooster van Tertiarissen vervaardigd dat St. Margriet als patroonheilige had. De legenden van St. Paulus en vooral St. Margriet zijn dan ook van bijzonder fraaie verluchting voorzien. Gezien deze overtuigende conclusies valt het moeilijk te achterhalen, waarom het handschrift in Arnhem gelocaliseerd werd. Of er ooit een ander ‚familielid' van handschrift Ld 8 , een bijbehorend zomerstuk, geweest is, moet voorlopig een open vraag blijven.

(Lit.: Begheyn; Berteloot 1984; Berteloot 1996; Berteloot 1997; Berteloot 1999; Goossens/Taeldeman/Verleyen; Hülsmann; Schneider; Schoengen; Stooker/Verbeij; Van Loey; Williams-Krapp 1986; BNM; LMA; LThK)