(door Amand Berteloot)
Het verhaal over de kindermoord in Betlehem presenteren we in twee verschillende versies. De eerste is afkomstig uit een handschrift uit de Koninklijke Bibliotheek in Stockholm, de andere uit een Amsterdams handschrift. De transcriptie van het Amsterdamse handschrift is gemaakt door een team onder leiding van dr. Willem Kuiper (universiteit van Amsterdam) en werd ons door deze vriendelijk ter beschikking gesteld.
Het handschrift Stockholm kan samen met het Groenendaalse handschrift (Br 12) als representant van de Zuidmiddelnederlandse vertaling van de Legenda aurea beschouwd worden en staat bovendien heel dicht bij het origineel van deze vertaling. Het handschrift Amsterdam daarentegen zou volgens het stemma van Williams-Krapp (p. 174) een redactie van de Zuidmiddelnederlandse vertaling zijn, waarbij het corpus uit een contaminatie van zowel de Zuidmiddelnederlandse als de Noordmiddelnederlandse vertaling bestaat.
Het handschrift Stockholm, Kunigliga Bibl. A 159 is een papieren codex met 331 bladen. Het is een van de weinige boeken die vrijwel het hele oercorpus' van de Legenda aurea bevatten. Op het einde ontbreken de verhalen over de Abt Moses, over Arsenius en Agathon. De legenden van Barlaäm en Josafat, Pelagia en Thaïs zijn op een andere plaats terechtgekomen dan gewoonlijk, en die van de Heilige Marina ontbreekt helemaal. Voor de rest is het een zeer getrouw afschrift van de originele tekst van de Zuid-Nederlandse Legenda aurea-vertaling. De legende van de Onnozele Kinderen staat op folio 26 verso tot 28 recto. In de lijst van W. Williams-Krapp draagt de codex het siglum Sk1.
Het handschrift bevat achteraan een colofon dat om een onbekende reden onleesbaar gemaakt werd. Wie dit gedaan heeft, weten we niet, maar gelukkig is hij (of zij) niet helemaal in zijn (haar) opzet geslaagd, zodat men toch nog kan achterhalen wat er gestaan heeft. Dat dit echter niet zo eenvoudig is, blijkt uit het feit dat Willem de Vreese en Conrad Borchling wat de datering van het handschrift betreft niet minder dan 100 jaar uit elkaar liggen. Mw. dr. Lotte Kurras, die momenteel bezig is met het maken van een catalogus van de Stockholmse handschriften, was zo vriendelijk dit raadselachtige stukje tekst in het originele handschrift te bestuderen. Zij deelde ons mee dat de transcriptie van Willem de Vreese in de BNM de juiste is. Zij luidt: "Deise bouc was beghonnen scriven sijnte winnocs daghe den vijfsten dach na alre sijnten dach int jaer ons heren m ccc xcix ende vulscreven sijnte urbaens daghe den xxvsten dach in meye int jaer m cccc. Dies hebbe god lof ende eere nu ende emmermeere. Amen." M.a.w. de schrijver (of schrijfster) is op 6 november van het jaar 1399 begonnen met het afschrijven en was ermee klaar op 25 mei van het jaar 1400 (en dus niet 1499-1500 zoals Borchling schrijft).
Het handschrift is dus even oud als Brussel, KB 15.140 (het z.g. Groenendaalse handschrift). Uit het citaat hierboven is echter onmiddellijk duidelijk dat het uit een heel andere hoek van het Nederlandse taalgebied afkomstig is. Taalonderzoek (zie Berteloot 2000) leert dat het geschreven is in West- of Frans-Vlaanderen. Het is momenteel echter niet mogelijk om nader te bepalen uit welke inrichting het afkomstig is. Maar dat de bibliothecaris (of bibliothecaresse) daarvan een gevaarlijk leven leidde, blijkt uit een interessante aantekening in het boek. Op de binnenkant van het voorplat heeft iemand een wat primitieve tekening aangebracht van een ridder met getrokken zwaard die de dreigende woorden uitspreekt:"Jc zal de Wachtere van deise boken doot steiken mach jcken zouken. Wach je Wel" (het woord "zal" is boven de regel toegevoegd). Of moeten we "wahtere" hier interpreteren als "diegene die de boeken (ten onrechte) bewaakt", m.a.w. hij die de boeken niet op tijd terug brengt naar de bibliotheek?
Ons tweede afschrift is afkomstig uit handschrift Amsterdam, Universiteitsbibliotheek VI B 14. Dit is een mooie codex die bestaat uit 265 papieren bladen en die een eenheid vormt met handschrift Amsterdam, Universiteitsbibliotheek VI B 15. Beide zijn geschreven door dezelfde hand, het eerste is het winterstuk, het tweede het zomerstuk van de Legenda aurea.
Wat we 'het Amsterdamse handschrift' noemen is eigenlijk een dubbelhandschrift, waarvan het eerste gedeelte het winter- en het tweede het zomerstuk van de Legenda aurea bevat. De codex wordt bewaard in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek en draagt daar de signatuur VI B 14 resp. VI B 15. In de lijst van W. Williams-Krapp staat het onder de siglen Am1 resp. Am2. Het winterstuk omvat 265 papieren bladen en begint met een kalender. Het zomerstuk is eveneens op papier geschreven en is 286 bladen sterk. Op het laatste blad van het tweede deel bevindt zich een colofon, waarin de kopiist meedeelt dat hij zijn schrijfwerk in het jaar 1438 voltooid heeft. Toen hij hiermee klaar was, kreeg hij vermoedelijk onmiddellijk de taak de Legenda aurea nog een keer over te schrijven, deze keer op perkament. Dit tweede afschrift is in 1439 voltooid en bleef eveneens bewaard. Het berust nu onder de signatuur Lett. 279 in de Leidse universiteitsbibliotheek (Williams-Krapp Ld6).
Uit een aantekening op f. 1 van het (eerste) Amsterdamse handschrift weten we dat het manuscript afkomstig is uit het Koorherensticht Sint-Andrieskamp in Birket bij Amersfoort, dat sinds 1416 aangesloten was bij de Congregatie van Windesheim. Wat de taal betreft, moet het handschrift vermoedelijk wat verder in het westen gelokaliseerd worden. Het zou in Utrecht ontstaan kunnen zijn.
Zoals uit de vergelijking van de legende van de Onnozele Kinderen in het Stockholmse en het Amsterdamse handschrift blijkt, zijn er nogal wat verschillen tussen beide teksten te constateren. Volgens L. Scheurkogel (p. 76) zou dit komen doordat de Amsterdamse tekst afkomstig is uit de tweede, de z.g. Noord-Nederlandse vertaling van de Legenda aurea. Het Amsterdamse handschrift bevat een mengeling van legenden uit zowel de Zuid- als de Noord-Nederlandse vertaling, en de teksten zijn soms sterk geredigeerd. Daarnaast komen er nog heel wat toevoegingen in voor. Daardoor is het Amsterdamse handschrift een boeiend voorbeeld voor de veranderingen die een populaire tekst als de Legenda aurea in de loop van de tijd kon ondergaan.
Van het dubbelhandschrift is in de jaren 90 door Amsterdamse studenten onder leiding van dr. Willem Kuiper een complete transcriptie gemaakt. Dit diplomatische afschrift ligt aan onze editie ten grondslag. Wij danken dr. Kuiper dat hij ons de tekst ter beschikking heeft gesteld.
(Lit.: Williams-Krapp
1986; Scheurkogel 1990)