1. Kun je de taaluitingen
van de sprekers A en B als een samenhangende discourse interpreteren? Zo ja,
waarom?
A: Mijn benzine is op.
B: Er is een pompstation schuin tegenover.
2. Kijk naar het volgende
dialoogje. Bert verbindt een conversationele implicatuur aan Sharons vraag.
Welke? En welke conversationele implicatuur zou Sharon met Bert's antwoord kunnen
verbinden?
Sharon: Zal ik maar alleen
naar die ouderavond gaan?
Bert: Nu zeg je alweer dat ik geen zin heb.
3. In de volgende mop wordt aan een aanname van het coöperatieprincipe niet voldaan. Welke?
Een boer ontmoet een andere
boer en zegt: Hoi Jan, mijn ezel heeft een zware darminfectie. Dat had
de jouwe een tijd geleden ook? Wat had je hem toen gegeven?'
Terpentine', bromt Jan.
Een week later komen ze elkaar weer tegen. De eerste boer is kwaad. Ik
gaf mijn ezel terpentine zoals je zei en nu is hij dood.'
De mijne ook', zegt Jan.
4. Lees in de ANS over het gebruik van 'u' en 'jij' in het Nederlands. Waar zie je verschillen en waar overeenkomsten met het Duits?
5. Lees deze realisaties van een taalhandeling. Hoe zou je dat in het Duits zeggen? Zijn er varianten denkbaar?

(bron: Y. Timman, Manieren van praten, dl. 2, Groningen 1993, p. 9.)
6. Formuleer een vraag op een directe manier (met een performatief werkwoord) en op een indirecte manier.
7. Welke conclusies trekken
de personen en hoe komen de conclusies tot stand?

(bron: F. van Eemeren, R. Grootendorst en P. van Straaten, Leren argumenteren met vader en zoon. Een spoedcursus in twintig lessen, Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 78.)
(De opdrachten 2 en 3 staan in Appel [e.a.] (2002), hoofdstuk 4, p. 85)